Ode aan de zaal

Ode aan de zaal

Iedere week schrijft Dion van Meel een ode aan de Kelderklasse. Aan onze onvoorwaardelijke liefde voor knollenvelden, harde ballen en bier. Van Meel staat aan de zijlijn en geeft commentaar. ’t Zit ‘m in de details. Deze week: een ode aan de zaal.

Er was een tijd dat ik de zaal geweldig vond. Dat ik verlangde naar de kou, omdat m’n team op zo’n moment de zaal in mocht en we heel de winter binnen mochten ballen. Twee doordeweekse avonden trapten we dan een bal in een prachtige zaal met een tribune, een scoreboard en genoeg ruimte om een beuk te krijgen en niet tegen zo’n klotemuur als die van m’n basisschoolgymzaaltje aan te schuren. Ik vond zaalvoetbal geweldig. Kon het uren spelen. Tot ik op een avond m’n zaalschoenen vergat. Ik moest m’n All Stars aantrekken en blokte een bal. M’n teennagel klapte dubbel. 

Kutzaal.

Het was de eerste tegenvaller in de zaal. Mijn eerste futsallvergiftiging. De eerste keer dat ik dacht: kutzaal, stond ik maar op een veld. Er volgden nog talloze zaaltegenvallers. Sliding-en struikelbrandwonden, een bal op m’n neus via de paal, een paal tegen m’n neus, m’n neus tegen een achterhoofd, een dubbelgeklapte enkel, een schurende zool op m’n achillespees en steeds vaker dat gebrek aan zuurstof. Het enige voordeel dat ik na jaren nog vond in zaalvoetbalhallen was de aanwezigheid van een ijszak, een barkruk en een tap. 

Dat doet de zaal. Het vernietigt jongensdromen. Even laat -ie je zweven. Jou geloven dat je alles kunt met een bal. Maar als het moment daar is, zet de zaal je met beide benen op de grond en boort -ie jouw zelfvertrouwen volledig de grond in. Zo is-ie, dat veldje met die verwarrende lijnen in dat zweterige hok met die handbaldoeltjes: recht door zee. Het lijkt er op ’t eerste gezicht zo’n fijne plek om te ballen. Een plek waar het lekker warm is, waar geen polletjes zijn en de kantine gewoon met voetbalschoenen betreden mag worden. Maar één misstap is genoeg. Hier geldt het recht van de sterksten. 

Jij, beste zaalvoetballer, voetbalt er nog steeds. Jij stapt die zaal in, doet een warming-up (je loopt drie keer op en neer en ramt vier plofballen tegen het dak) en gaat lekker ballen. En ook al merk je, wanneer je ouder wordt, dat die aan de vloer plakkende plofbal jou steeds harder raakt dan jij hem en sta je qua veldspel, conditie en soepele gewrichten binnen zes seconden met 3-0 achter in een stinkzaal, in een ruimte waarin het geknak van knieën echoot van muur tot muur, het gepiep van schoenen op de vloer het piepen van onze gewrichten overstemt, waar ballen vaker per ongeluk in omhoog getakelde basketbalnetten verdwijnen dan bewust in de doelnetten en waar dikke keepers veel te veel voordeel hebben van hun postuur en op de een of andere manier vaak veel te goed zijn omdat ze duiken op alles wat los en vast zit maar na de pot een takelwagen nodig hebben om zichzelf uit hun veel te kleine goaltjes te bevrijden, jij gaat door.

Door tot het bittere eind. Tot het besef dat jouw gymzaaldraaicirkel zo groot is geworden als een praalwagen van het Zundertse bloemencorso, tot jij het met jouw sjekconditie nog maar net een helftje volhoudt en er geen kraakbeen meer over is in enkel, knie of rug. Ooit komt dat moment ook bij jou. Dat je zit aan de bar terwijl je staart door een ruit waarachter een pot zaalvoetbal wordt gespeeld. Een pot waaraan jij net nog tien minuten meedeed, omdat je kapot was na vijf minuten, twee minuten moest zitten omdat je een tegenstander in de knieholte tikte en drie minuten probeerde op te staan omdat je een kansloze poging waagde om de bal binnen te houden maar belandde tussen softballen, hoepels en een rekstok met je kin op een evenwichtsbalk. 

Ooit schiet het bij jou ook in je hamstring. Als je enkel al hapert en je knieën al doorknakken. Even zul je dan jouw zaalschoenen de schuld geven. Zul je zeggen dat de grip weg was. Dat je ze te lang niet meer hebt gebruikt en jouw zolen daarom zijn uitgedroogd. Maar het waren niet jouw zolen die jou braken. Jij was het zelf, die halvezool die was doorgegaan met zaalvoetballen toen –ie allang had moeten stoppen. Het waren jouw broze en uitgedroogde spierendie jou de das om deden. Spieren die al aanvoelden als de taaie speculaaskoekjes van je oma,maar in de zaal hun laatste adem wilden uitblazen. Omdat zaalvoetbal zo mooi is. 

Oké, de zaal kan soms een klootzak zijn. Maar haat ‘m niet. Want de zaal is ook jouw beste vriend. En vrienden vertellen elkaar de waarheid. Die doet soms pijn. Heb ze lief, die nostalgisch gevulde gymbankjes om 22.34u op een doordeweekse avond. Bemin ze, die piepende zaalschoentjes, schattige doeltjes en heerlijke plofpuntertjes. Geniet van die trucjes, die panna’s, dat zweet en die galm terwijl je omringt bent door ringen, klimrekken en schaafwonden. Kap, draai en dans in de zaal. Want als het koud wordt, zul je ‘m nodig hebben.

Aan jou de keuze: blijf met 6 man kansloos tegen een bal trappen met een gevoelstemperatuur van 18 graden onder nul op halfbevroren klei met een knoertharde koude bal en natte sneeuw op je kop. Of ga lekker naar binnen tot de winter stopt. Ik zou het wel weten. In de zaal is het altijd zomer. 

Tot over twee maanden.

Upload je eigen video's naar de app.

Zonder jullie, geen Kelderklasse. Wekelijks krijgen we de meest briljante video's toegestuurd. Download de app en stuur ook jouw video's en foto's in.

Of stuur hem via Facebook of E-mail

Rechtstreeks op je tijdlijn

De grootste op Facebook. En inmiddels ook op Instagram.