Ode aan de buurman

Ode aan de buurman

Iedere week schrijft Dion van Meel een ode aan de Kelderklasse. Aan onze onvoorwaardelijke liefde voor knollenvelden, harde ballen en bier. Van Meel staat aan de zijlijn en geeft commentaar. ’T zit ‘m in de details. Deze week: een ode aan de buurman.

Als jij die pleinvoetballer was die nog gewoon op straat voetbalde tussen auto’s en wat bomen. Een pleinvoetballer die nog moest kaatsen met stoepranden en garages om hem heen en niet stond opgesloten in een kooi op een kunstgrasveld, maar moest slalommen langs losliggende bakstenen op met stoepkrijt belijnde pleinen waar huismoeders met kinderzitjes en boodschappentassen doorheen fietsten. Als jij zo’n pleinvoetballer was, ken je deze: 

‘Als die godverdomse klotebal nog één keer in m’n tuin komt, steek ik ‘m lek!’

Het was deze prachtige zin die mijn bloed sneller deed stromen. Die ervoor zorgde dat mijn middag compleet was. Als de buurman met gebalde vuist naar buiten kwam rennen omdat we met een aantal jongens z’n auto zojuist een paar meter hadden verzet omdat –ie volgens ons in de weg stond en toevallig ook niet op de handrem, was onbetaalbaar. Of de momenten dat er weer een deuk in z’n buxus zat terwijl -ie ‘m zondag nog had gesnoeid, of z’n vrouw haar middagdutje niet kon doen, omdat er om de paar minuten een bal tegen hun garage en raam bonkte.

Op dagen dat m’n broer meedeed, zag ik de buurman wat vaker. M’n broer hield niet van trucjes en ging alleen maar voor de bal. Hij hield nooit in, maar joeg de bal het liefst zo ver mogelijk weg. Zo kenden we op den duur niet alleen de buurman, maar de hele wijk op ons duimpje. We wisten in welke tuin de bal beslist niet moest belanden, welke buren ‘m lachend teruggooiden en bij welke buren we naast de bal ook nog een ranja kregen. Bij deze buurman kregen we nooit ranja.

Op een dag – voor de buxus had de buurman al een muurtje gezet en z’n auto stond inmiddels aan de andere kant van de straat – zagen we dat –ie onderin z’n garagedeur schroeven van binnen naar buiten had gedraaid. We voelden ons vereerd; speciaal voor óns had –ie schroeven in z’n eigen garagedeur gedraaid. Zodat we niet meer tegen z’n garage zouden schieten. We zagen maar één oplossing: de bal expres net boven de schroeven trappen. Extra vaak. Met angst voor eigen leven. Het zou niet lang duren voor de buurman een hekwerk om zijn huis ging bouwen. Dat werd ons doel.

De buurman, met z’n ingevallen sjekgezicht, z’n chagrijnige bakkes, z’n rauwe stem die ons kinderen verrot schold. De man om wie we stiekem zestien kleuren stront scheten als –ie naar buiten kwam. Om wie we allemaal beden dat we ‘m nooit alleen tegen ’t lijf zouden lopen. De man van wie we geen hol begrepen, want hoe kon je nou níet van voetbal houden? Dat is de man die ik nu eeuwig dank. Voor alles wat –ie me heeft geleerd. Want het waren niet de pionnen, de Wiel Coerver-oefeningen of de afwerkvormen op een keurig grasveld onder kunstlicht. Het was de buurman uit mijn straat die me leerde sprinten als Overmars, leerde klimmen als Mike Obiku en leerde richten als een matige verdediger die in de derde helft staat te zeiken in een pisbak na zes kannen bier alsof –ie een brand in een appartementencomplex probeert te blussen.

De buurman was m’n beste trainer. En soms moet de trainer een lul zijn. Een ogenschijnlijke lul als Beenhakker, Mourinho of Van Gaal. Een trainer die ons rondjes liet rennen, liet schrikken of ging schreeuwen. Zo was mijn buurman. Mijn buurman was een lul. Een geniale lul. 

Meer van Dion van Meel lees je op zijn website!

Upload je eigen video's naar de app.

Zonder jullie, geen Kelderklasse. Wekelijks krijgen we de meest briljante video's toegestuurd. Download de app en stuur ook jouw video's en foto's in.

Of stuur hem via Facebook of E-mail

Rechtstreeks op je tijdlijn

De grootste op Facebook. En inmiddels ook op Instagram.