fb
Download
×
Kelderklasse app
Download de app!
Stuur jouw videos in via de Kelderklasse App.
Ode aan de uitkapkeeper

Ode aan de uitkapkeeper

Artikel


Ode aan de uitkapkeeper

Ode aan de uitkapkeeper

Iedere week schrijft Dion van Meel een ode aan de Kelderklasse. Aan onze onvoorwaardelijke liefde voor knollenvelden, harde ballen en bier. Van Meel staat aan de zijlijn en geeft commentaar. ’t Zit ‘m in de details. Dit keer schrijft hij een Ode aan de uitkapkeeper.

‘Weg, die bal! Nee, Koos! Niet doen! Godv…Koos! Da’s niet nodig man! Maar lekker gedaan.’

Keeper Koos had de bal aan z’n voet en nam weer eens een onnodig risico. Dat doet -ie wel vaker. Iedere wedstrijd minimaal 1 keer. Want als keeper Koos een bal in de voeten krijgt, zal hij het leer nooit blind naar voren rossen. Want, vindt Koos, de bal wegrossen is zonde. Dus wat doet Koos zodra er een blinde spits aan komt stormen als een blinde stier op een rode lap, denkend dat hij de bal wel kan blokken door te springen en in de lucht weg te draaien in de hoop dat de bal tegen hem aankomt waardoor hij misschien kan scoren? Koos doet alsof hij de bal een lel geeft, maar kapt, loopt met de bal aan zijn voeten om de blinde spits heen en speelt rustig een van zijn verdedigers aan. Koos is een echte uitkapkeeper.

Ik hou van uitkapkeepers zoals Koos. In een kelderklassewereld vol blinde wegroskeepers is de uitkapkeeper een verrijking. Een zeldzaamheid. Een verademing. Het vleugje creativiteit en vernuft dat ons lompe lelijke voetbal soms nodig heeft. De uitkapkeeper is de vruchtenhagel op een droge boterham. De netten in een doel. De sjaaltjes boven een kantinebar. De uitkapkeeper geeft ons voetbal kleur.

Is er dan iets mis met wegroskeepers? Niet veel. In tegenstelling tot de uitkapkeeper, gaat de wegroskeeper altijd voor veiligheid en zo min mogelijk onnodige tegentreffers door zijn gebrek aan voetballend vermogen. Hij schroomt daarom niet om ballen blind bossen, bomen en bejaardenflats in te jagen. Daar waar onzekerheid over fitheid, op tijd komen en genoeg man voor een wedstrijd op de loer liggen als polletjes op een bijveld, is de wegroskeeper dat zeldzame zekerheidje. Als de wegroskeeper de bal teruggespeeld krijgt, weet je immers een aantal dingen zeker: we hebben geen balbezit meer, geen tegendoelpunt, en we kunnen effe uitrusten tot de bal weer op de grond stuitert of is gehaald uit de bossen.

Ik hou niet van álle uitkapkeepers. Ik heb bijvoorbeeld een hekel aan de slappe hapuitkapkeeper. Zo’n keeper die zelf al jaren denkt dat hij geweldig kan meevoetballen, maar de handelingssnelheid heeft van een steekwagen. Hij is houterig en traag, en neemt de terugspeelbal altijd verkeerd aan, waardoor al meteen paniek ontstaat. De slappe hapuitkapkeeper is een paniekkeeper die vergeten is waarom -ie op het doel staat, namelijk omdat -ie niet kan voetballen.

Waar ik nog een grotere hekel aan heb, zijn die keepertjes die denken dat ze meteen het mannetje zijn als ze één spits uitkappen: de kutuitkapkeepers. Gesoigneerde patsertjes die prima kunnen meevoetballen, maar het nooit kunnen laten om de spits daarna heel de wedstrijd hierom in de zeik te nemen, om vervolgens wel te janken als de spits bij de 2e kappoging op ze doorloopt om effe een ijsbeentje uit te delen.

Die 2e kap snap ik overigens wel; de 2e kap is de lekkerste kap. De opstormende blinde spits die na de 1e kap al weet dat de keeper zomaar weer kan gaan kappen, maar in zijn sprint bedenkt dat die keeper toch écht niet zo gek zal zijn om dit een 2e keer te doen, dus er toch maar weer vol voor gaat, ondertussen aanwijzingen ontvangend vanaf de zijlijn (‘Laat ‘m niet kappen Ron! Hij gaat ka…’), om vervolgens toch weer vol in de kap te trappen. (‘domme, Ronald! Ik zei het nog!!’) Heerlijk.

Dus, beste uitkapkeeper, ga door. Al zullen je teamgenoten je smeken ermee te stoppen. Zullen ze bij iedere terugspeelbal hopen dat je ‘m deze keer toch echt blind de bossen in zal rossen; ga af op jouw gevoel en kap. Kap ze uit, die blinde spitsen, waar en wanneer je maar kunt. Die terugspeelbal is effe van jou. Doe er daarom mee wat jij wil. Kap, draai, geef die spits een panna en maak je teamgenoten gek. Tenzij je er geen kloot van kunt. Jaag de bal dan weg. Ver weg. Of raak de spits.

Maar kun je het wel? Dan ga je door. Een echte uitkapkeeper stopt nooit. Hij zal blijven kappen, totdat -ie ermee kapt.